Werken aan de hand

 

Het doel van het werk aan de hand is het paard door middel van oefeningen op beide zijdes te gymnastiseren, het paard de rechtrichtende buigingsarbeid aan te leren en het paard voor te bereiden op het rijden.

 

Door het paard eerst aan de hand te trainen kun je hem leren om onbalast (zonder ruitergewicht) recht en in balans te bewegen en te leren wijken voor druk. Dit geldt voor jonge paarden maar ook ervaren paarden of revalidatiepaarden hebben hier veel profijt van.

 

De ruiter kan het paard alle zijgangen vanaf de grond aanleren. De ruiter kan het paard daarbij van de grond af zien bewegen en observeren in al zijn gangen en bijvoorbeeld zien welk achterbeen meer draagt of stuwt.

 

De basis van het werken aan de hand bestaat uit de LVO:

 

1. Lengtebuiging (dit is is de zoveel mogelijk gelijkmatige en

doorgaande zijdelingse welving in de wervelkolom van de

eerste halswervel (atlas draaier) tot de staartwervels)

 

2. Voorwaart neerwaartse tendens

 

3. Ondertreden (het ondertreden van het binnen achterbeen

naar het zwaartepunt, zie het groene pijltje)

 

 

Basis oefeningen

 

  1. Volte

Op de volte leert het paard naar beide zijdes in te buigen,

in een voorwaarts neerwaartse houding en met een

ondertredend binnenachterbeen.

 

  1. Rechtuit in buiging

Als het paard in staat is om de LVO te onderhouden op de volte, leert het vervolgens om rechtuit te lopen met behoud van buiging.

 

  1. Schouderbinnenwaarts

Door de schouderbinnenwaarts wordt het binnenachterbeen buigzamer gemaakt en leert het hier meer gewicht op te nemen.

 

  1. Travers

Door de travers leert het paard het buitenachterbeen buigzamer te maken en hier meer gewicht op te nemen.

 

  1. Renvers

Een andere oefening voor het trainen van het buitenachterbeen is de renvers. In tegenstelling tot de travers is de achterhand hierbij naar de wand gericht en de voorhand naar de binnekant van de rijbaan.

 

  1. Appuyeren

Een appuyement is in principe de travers over de diagonaal

 

Als de basis gangen en oefeningen goed zijn bevestigd, kunnen oefeningen als de pirouette, piaffe, passage en galopwissels langzaam aan worden geïntroduceerd. Met mogelijk zelfs tot de Hoge School oefeningen als de levade, pesade, courbette, croupade en capriool.